HR 3 februari 2012, LJN BT6947 Mr. Floris P.G. Dix q.q. -ING HR 3 februari 2012, LJN BT6947 Mr. Floris P.G. Dix q.q. -ING


JURIDISCH KADER


Bij verpanding van vorderingen op naam moeten de vorderingen ten tijde van de verpanding in voldoende mate door de in art. 3:239 lid 1 BW bedoelde akte worden bepaald. (3:84 jo 3:239 BW)

Deze eis van voldoende bepaaldheid mag niet strikt worden uitgelegd.

Voor het overdragen of verpanden van vorderingen op naam noodzakelijk, maar ook voldoende, dat de desbetreffende akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. (HR 20 september 2002, LJN AE7842, MULDER Q.Q.-RABO).


CASUS


A heeft met ING een kredietovereenkomst gesloten. De overeenkomst is tot stand gekomen doordat A een offerte van ING door ondertekening heeft aanvaard. Blijkens die akte heeft A "hierbij, voor zover nodig bij voorbaat," onder meer verpand (1) bestaande vorderingen, (2a) toekomstige vorderingen die A op derden zal verkrijgen uit reeds bestaande rechtsverhoudingen en ook (2b) de "absoluut toekomstige vorderingen": nog niet bestaande vorderingen die zullen voortvloeien uit nu nog niet bestaande rechtsverhoudingen.
In die kredietofferte zijn de algemene voorwaarden van ING van toepassing verklaard. Volgens een volmachtbeding in die voorwaarden kan ING namens de kredietnemer ten gunste van zichzelf nieuwe pandrechten te vestigen.
ING heeft op soortgelijke wijze met heel veel cliënten kredietrelaties tot stand gebracht.
Steeds wordt de kredietovereenkomst geregistreerd (daardoor ontstaan er dan pandrechten op de al bestaande vorderingen en wordt vast bij voorbaat de vestigingshandeling verricht voor het pandrecht op relatief toekomstige vorderingen, zodat die pandrechten ontstaan zodra de vorderingen ontstaan).
Vervolgens registreert ING bij de belastingdienst elke dag één "verzamelpandakte". In die akte verpandt ze namens alle volmachtgevers (dat zijn dus al haar kredietnemers) alle (verder niet genoemde) bestaande en toekomstige vorderingen van de volmachtgevers aan zichzelf. Wie die volmachtgevers zijn, duidt de verzamelpandakte ook niet aan.
A failleert. De curator betwist dat er met de registratie van de "verzamelpandaktes" pandrechten tot stand zijn gekomen.


RECHTSVRAGEN

  1. Is het volmachtbeding onredelijk bezwarend?
  2. Is sprake van verboden Selbsteintritt?
  3. Zijn de verpande vorderingen voldoende bepaald?
  4. De onderhavige verpandingsconstructie holt de positie van concurrente schuldeisers uit. Brengt dat mee dat deze verpandingsconstructie niet moet worden aanvaard?

BESLISSING

  1. Of  het volmachtbeding onredelijk bezwarend is, hangt ingevolge art.6:233, aanhef en onder a, BW af van de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval.
    In omstandigheden zoals die, van dit geval, is het beding niet onredelijk bezwarend. Daarbij speelt ook een rol van betekenis dat het beding zakelijk gelijkluidend is aan het volmachtbeding dat onderdeel uitmaakt van de Algemene Bankvoorwaarden die zijn opgesteld door de Nederlandse Vereniging van Banken in overleg met de Consumentenbond.
  2. Strijd tussen beider belangen is uitgesloten in een geval als het onderhavige, waarin de volmacht het verrichten van een specifiek omschreven rechtshandeling betreft. Er is dus geen verboden Selbsteintritt (3:68 BW).
  3. De omstandigheden dat de namen van de pandgevers niet in de verzamelpandakte zijn vermeld en dat de pandgevers alleen generiek zijn omschreven, staan niet in de weg aan een rechtsgeldige verpanding.
    Ook de strekking van de eis van registratie staat hieraan niet in de weg. Deze eis strekt er hoofdzakelijk toe dat vast komt  te staan dat de onderhandse akte is tot stand gekomen uiterlijk op de dag van de registratie, zodat antedatering wordt tegengegaan (vgl. HR 19 november 2004, LJN AQ3055, NJ 2006/215).
  4. Aanvaarding van deze verpandingsconstructie leidt inderdaad tot een verslechtering van de positie van concurrente schuldeisers. Dat is moeilijk te verenigen met de in de wetsgeschiedenis gemaakte opmerking dat art. 3:239 ruimte laat voor concurrente schuldeisers die in de praktijk in belangrijke mate op derdenbeslag zijn aangewezen. Maar toch is deze constructie aanvaardbaar (a) vanwege het grote belang dat de wetgever toekende aan een vlot kredietverkeer, (b)  vanwege het belang van de schuldeisers zelf (zij hebben er voordeel van, als de kredietverschaffer kun debiteur wil financieren – dat wil de kredietverschaffer eerder, naarmate hij meer zekerheden heeft) en (c) omdat schuldeisers zich op deze positie van de bank kunnen instellen en, zich de eigendom of het pandrecht kunnen voorbehouden.

TOELICHTING

 

Als elke kredietverschaffer elke dag een verzamelpandakte registreert, zijn dus steeds alle vorderingen van de kredietnemer aan de kredietverschaffer verpand zijn. Elke bank zal nu dus trouw elke dag één akte registreren. Als de wetgever de bestaande financieringspraktijk wil handhaven, kan hij (mits de registratie van de krediet-overeenkomst "als pandakte" blijft plaatsvinden) de registratie-eis van latere aktes beter laten vervallen.


© J. de Jong van Lier